Spaans A1 · Beginner · unit 1

¡Hola!

In deze unit: persoonlijke voornaamwoorden, het werkwoord ser (zijn). Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: persoonlijke voornaamwoorden

SpaansNederlands
yoik
tújij
él / ella / ustedhij / zij / u
nosotros / nosotraswij (mannen of gemengd / alleen vrouwen)
vosotros / vosotrasjullie (in Spanje)
ellos / ellas / ustedeszij (mv.) / u (mv.)

In het Spaans laat je het voornaamwoord meestal weg, omdat de werkwoordsvorm al laat zien wie het doet. Soy Thijmen is gewoner dan Yo soy Thijmen.

Tú of usted? Tú gebruik je bij vrienden, familie en leeftijdsgenoten. Usted is beleefd, voor onbekende volwassenen en ouderen. Usted vervoeg je als él/ella.

Grammatica 2: het werkwoord ser (zijn)

Persoonser
yosoy
túeres
él / ella / ustedes
nosotrossomos
vosotrossois
ellos / ellas / ustedesson

Je gebruikt ser voor wie je bent, waar je vandaan komt, je nationaliteit en je beroep: Soy holandés. Ella es de Madrid. Somos estudiantes.

Let op, Nederlanders

  • Bij een beroep gebruik je geen lidwoord: Soy futbolista, niet Soy un futbolista.
  • Nationaliteiten schrijf je met een kleine letter: holandés, español.
  • Een ontkenning maak je met no vóór het werkwoord: No soy de Madrid.

Woordenlijst

SpaansNederlands
holahoi, hallo
buenos díasgoedemorgen
buenas tardesgoedemiddag
buenas nochesgoedenavond, goedenacht
adiósdag, tot ziens
hasta luegotot later
hasta mañanatot morgen
¿Cómo te llamas?Hoe heet je?
Me llamo…Ik heet…
¿De dónde eres?Waar kom je vandaan?
Soy de…Ik kom uit…
¿Cómo estás?Hoe gaat het?
bien / muy bien / malgoed / heel goed / slecht
graciasdank je
por favoralsjeblieft
encantado / encantadaaangenaam (man / vrouw)
sí / noja / nee
el chico / la chicade jongen / het meisje
el amigo / la amigade vriend / de vriendin
el profesor / la profesorade leraar / de lerares
holandés / holandesaNederlands(e)
español / españolaSpaans(e)