Spaans A1 · Beginner · unit 2

Mi familia

In deze unit: lidwoorden en geslacht, meervoud, tener (hebben), bezittelijke voornaamwoorden. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: lidwoorden en geslacht

Elk Spaans zelfstandig naamwoord is mannelijk of vrouwelijk. Woorden op -o zijn meestal mannelijk, woorden op -a meestal vrouwelijk. Leer bij elk woord het lidwoord mee.

mannelijkvrouwelijk
bepaald enkelvoud (de/het)el librola casa
bepaald meervoudlos libroslas casas
onbepaald enkelvoud (een)un librouna casa
onbepaald meervoud (een paar)unos librosunas casas

Uitzonderingen om te onthouden: el día (de dag), el mapa (de kaart), la mano (de hand), la foto (de foto).

Grammatica 2: meervoud

  • Eindigt het woord op een klinker, dan plak je er -s achter: el hermano → los hermanos.
  • Eindigt het op een medeklinker, dan -es: el profesor → los profesores.
  • Een gemengde groep krijgt de mannelijke vorm: mis hermanos = mijn broers, of mijn broers en zussen.

Grammatica 3: tener (hebben)

Persoontener
yotengo
tútienes
él / ella / ustedtiene
nosotrostenemos
vosotrostenéis
ellos / ellas / ustedestienen

Leeftijd zeg je met tener, niet met ser: Tengo diecinueve años = ik ben negentien jaar (letterlijk: ik heb negentien jaren). Vragen doe je met ¿Cuántos años tienes?

Grammatica 4: bezittelijke voornaamwoorden

enkelvoudmeervoud
mijnmimis
jouwtutus
zijn / haar / uwsusus
ons, onzenuestro / nuestranuestros / nuestras
jullievuestro / vuestravuestros / vuestras
hun / uw (mv.)susus

Het bezittelijk voornaamwoord past zich aan aan het bezit, niet aan de bezitter: mis hermanos (mijn broers), nuestra casa (ons huis).

Let op, Nederlanders

  • Tu zonder accent is 'jouw', tú met accent is 'jij'.
  • Zeg nooit Soy 19 años, maar Tengo 19 años.
  • 'Van' bij bezit wordt de: el coche de mi padre = de auto van mijn vader. Er is geen 's zoals in vaders auto.

Woordenlijst

SpaansNederlands
la familiade familie, het gezin
el padre / la madrede vader / de moeder
los padresde ouders
el hermano / la hermanade broer / de zus
el hijo / la hijade zoon / de dochter
el abuelo / la abuelade opa / de oma
el tío / la tíade oom / de tante
el primo / la primade neef / de nicht (kind van oom of tante)
el perro / el gatode hond / de kat
la casahet huis
el cochede auto
el librohet boek
el año / los añoshet jaar / de jaren
mayor / menorouder / jonger
tenerhebben
vivirwonen
conmet
y / peroen / maar