Spaans A1 · Beginner · unit 10

¿Cómo estás?

In deze unit: ser of estar?, tener + gevoel, pijn hebben met doler, tener que (moeten), het weer. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: ser of estar?

Beide betekenen 'zijn'. Het verschil zit in wát je beschrijft.

ser: wie of wat iets isestar: waar of hoe iets op dit moment is
identiteit: Soy Thijmen.plaats: Estoy en Madrid.
afkomst: Es de Sevilla.gevoel: Estoy contento.
beroep: Es profesora.tijdelijke toestand: Está enfermo.
karakter, uiterlijk: Es alto y simpático.een toestand die is veranderd: La sopa está fría.
tijd en datum: Son las tres. Hoy es lunes.

Sommige woorden veranderen van betekenis:

  • Es aburrido = hij is saai. Está aburrido = hij verveelt zich.
  • Es listo = hij is slim. Está listo = hij is klaar.
  • Es rico = hij is rijk. Está rico = het is lekker (eten).

Grammatica 2: tener + gevoel

Sommige gevoelens zeg je met tener (hebben), niet met estar:

SpaansNederlands
tener frío / calorhet koud / warm hebben
tener hambre / sedhonger / dorst hebben
tener sueñoslaap hebben
tener miedobang zijn
tener prisahaast hebben

Grammatica 3: pijn hebben met doler

Doler werkt net als gustar: het werkwoord past zich aan aan wat er pijn doet.

  • Me duele la cabeza. (Ik heb hoofdpijn.)
  • Me duelen las piernas. (Mijn benen doen pijn.)
  • ¿Te duele la rodilla? (Doet je knie pijn?)
  • A mi padre le duele la espalda. (Mijn vader heeft rugpijn.)

Let op: je zegt la cabeza, niet mi cabeza. Het voornaamwoord me laat al zien van wie het is.

Grammatica 4: tener que (moeten)

Tener que + heel werkwoord = moeten: Tengo que estudiar. Tienes que ir al médico. No tenemos que entrenar mañana.

Grammatica 5: het weer

SpaansNederlands
¿Qué tiempo hace?Wat voor weer is het?
Hace sol.De zon schijnt.
Hace calor / frío.Het is warm / koud.
Hace viento.Het waait.
Hace buen / mal tiempo.Het is mooi / slecht weer.
Llueve. / Está lloviendo.Het regent.
Nieva.Het sneeuwt.
Está nublado.Het is bewolkt.
Estamos a veinte grados.Het is twintig graden.

Let op, Nederlanders

  • 'Ik ben koud' wordt tengo frío. Estoy frío betekent dat je lichaam koud aanvoelt, en soy frío dat je een kil persoon bent.
  • Bij het weer gebruik je hace, niet es: Hace calor, niet Es caliente.
  • 'Moeten' is tener que, niet debo voor alles. Deber bestaat ook, maar is formeler.

Woordenlijst

SpaansNederlands
cansado / cansadamoe
contento / contentablij
tristeverdrietig
enfadado / enfadadaboos
nervioso / nerviosazenuwachtig
enfermo / enfermaziek
aburrido / aburridaverveeld (estar), saai (ser)
preocupado / preocupadabezorgd
la cabezahet hoofd
la gargantade keel
el estómagode maag, de buik
la espaldade rug
el brazo / la manode arm / de hand
la pierna / la rodilla / el piehet been / de knie / de voet
el médico / la médicade dokter
doler (me duele)pijn doen
tener que + werkwoordmoeten
el tiempohet weer (ook: de tijd)
el sol / la lluvia / la nievede zon / de regen / de sneeuw
la primavera / el veranode lente / de zomer
el otoño / el inviernode herfst / de winter