Spaans A1 · Beginner · unit 9

El tiempo libre

In deze unit: stamveranderende werkwoorden, wederkerende werkwoorden, Iemand uitnodigen. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: stamveranderende werkwoorden

Bij sommige werkwoorden verandert de klinker in de stam. Dat gebeurt bij yo, tú, él/ella/usted en ellos, maar niet bij nosotros en vosotros. Teken je de vormen in een tabel, dan vormen de veranderde vormen een laars. Daarom heten ze ook 'laarswerkwoorden'.

Persoone → ie: empezaro → ue: podere → i: pediru → ue: jugar
yoempiezopuedopidojuego
túempiezaspuedespidesjuegas
él / ella / ustedempiezapuedepidejuega
nosotrosempezamospodemospedimosjugamos
vosotrosempezáispodéispedísjugáis
ellos / ellas / ustedesempiezanpuedenpidenjuegan

Zo werken ook: querer, preferir, pensar (e → ie), dormir, volver, costar (o → ue) en repetir, servir (e → i). Jugar is de enige met u → ue.

Grammatica 2: wederkerende werkwoorden

Wederkerende werkwoorden hebben se achter de infinitief: levantarse (opstaan), ducharse (douchen). Bij het vervoegen komt het wederkerend voornaamwoord vóór het werkwoord. Je kent er al één: me llamo.

Persoonlevantarseacostarse (o → ue)
yome levantome acuesto
túte levantaste acuestas
él / ella / ustedse levantase acuesta
nosotrosnos levantamosnos acostamos
vosotrosos levantáisos acostáis
ellos / ellas / ustedesse levantanse acuestan

Meer wederkerende werkwoorden: despertarse (wakker worden, e → ie), ducharse (douchen), vestirse (zich aankleden, e → i), lavarse los dientes (tanden poetsen), relajarse (ontspannen).

Met een heel werkwoord erachter plak je het voornaamwoord vaak aan het eind: Voy a ducharme. ¿Puedes levantarte?

Iemand uitnodigen

ZinNederlands
¿Quieres jugar al pádel el sábado?Wil je zaterdag padellen?
¿Vamos al cine?Gaan we naar de bioscoop?
¡Vale! / ¡Claro! / ¡Genial!Oké! / Natuurlijk! / Top!
Lo siento, no puedo. Tengo entrenamiento.Sorry, ik kan niet. Ik heb training.
¿Y el domingo?En zondag?

Let op, Nederlanders

  • Een sport speel je met jugar a: Juego al fútbol. Een instrument speel je met tocar: Toco el piano.
  • Me ducho betekent 'ik douche (mezelf)'. Zonder me klopt de zin niet.
  • Vergeet de laars niet bij nosotros: podemos, niet puedemos.

Woordenlijst

SpaansNederlands
el tiempo librede vrije tijd
jugar (al fútbol)(voetbal) spelen
hacer deportesporten
ir al gimnasionaar de sportschool gaan
nadar / correrzwemmen / rennen
bailar / cantardansen / zingen
tocar la guitarragitaar spelen
ver la tele / una serietv / een serie kijken
salir (yo salgo) con amigosuitgaan met vrienden
jugar a los videojuegosgamen
viajarreizen
cocinarkoken
el equipohet team
ganar / perderwinnen / verliezen
poder (yo puedo)kunnen, mogen
empezar (yo empiezo)beginnen
preferir (yo prefiero)liever willen
dormir (yo duermo)slapen
volver (yo vuelvo)terugkomen
pedir (yo pido)vragen om, bestellen
una vez / dos veces a la semanaéén keer / twee keer per week