Spaans A1 · Beginner · unit 8

La ciudad

In deze unit: ir (gaan), ir a + heel werkwoord (gaan doen), De weg vragen en wijzen. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: ir (gaan)

Persoonir
yovoy
túvas
él / ella / ustedva
nosotrosvamos
vosotrosvais
ellos / ellas / ustedesvan
  • Naar een plek: ir a. Voy a la estación. Vamos al estadio (a + el = al).
  • Met vervoer: en. Voy en tren, en coche, en bici. Maar lopend: voy a pie of voy andando.
  • Vraag: ¿Adónde vas? (Waar ga je naartoe?)

Grammatica 2: ir a + heel werkwoord (gaan doen)

Met ir a + infinitief zeg je wat je gaat doen, net als in het Nederlands.

  • Voy a estudiar esta tarde. (Ik ga vanmiddag studeren.)
  • ¿Qué vas a hacer el fin de semana? (Wat ga je doen dit weekend?)
  • Mañana vamos a jugar un partido. (Morgen gaan we een wedstrijd spelen.)
  • No voy a salir esta noche. (Ik ga vanavond niet uit.)

De weg vragen en wijzen

VragenNederlands
Perdone, ¿dónde está la estación?Pardon, waar is het station?
¿Hay una farmacia cerca de aquí?Is er een apotheek hier in de buurt?
¿Cómo voy al centro?Hoe kom ik in het centrum?
¿Está lejos?Is het ver?
Antwoord (usted / tú)Nederlands
Siga / Sigue todo recto.Ga rechtdoor.
Gire / Gira a la derecha.Ga naar rechts.
Gire / Gira a la izquierda.Ga naar links.
Tome / Toma la primera calle.Neem de eerste straat.
Cruce / Cruza la plaza.Steek het plein over.
Está al final de la calle.Het is aan het eind van de straat.
Está a cinco minutos andando.Het is vijf minuten lopen.

De usted-vormen gebruik je tegen onbekende volwassenen, de tú-vormen tegen leeftijdsgenoten. Leer ze voorlopig als vaste zinnen.

Let op, Nederlanders

  • Voy a casa = ik ga naar huis. Estoy en casa = ik ben thuis.
  • Niet voy en pie, maar voy a pie.
  • Derecha is rechts, derecho of recto is rechtdoor. Verwar ze niet.

Woordenlijst

SpaansNederlands
la calle / la plazade straat / het plein
la estación (de tren)het (trein)station
la parada de autobúsde bushalte
el aeropuertohet vliegveld
el supermercadode supermarkt
la farmaciade apotheek
el hospitalhet ziekenhuis
el bancode bank (geld)
el museo / el cinehet museum / de bioscoop
el parquehet park
el estadiohet stadion
la playahet strand
el centrohet centrum
el autobús / el trende bus / de trein
la bici / el metrode fiets / de metro
a pie, andandolopend
cerca / lejosdichtbij / ver
todo rectorechtdoor
la esquinade hoek
el semáforohet stoplicht
el fin de semanahet weekend
la semana que vienevolgende week
esta tarde / esta nochevanmiddag / vanavond