Spaans A1 · Beginner · unit 5

Mi día

In deze unit: regelmatige werkwoorden, vraagwoorden, hoe vaak?. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: regelmatige werkwoorden

Spaanse werkwoorden eindigen op -ar, -er of -ir. Haal de uitgang eraf en plak de nieuwe uitgang aan de stam.

Persoonhablarcomervivir
yohablocomovivo
túhablascomesvives
él / ella / ustedhablacomevive
nosotroshablamoscomemosvivimos
vosotroshabláiscoméisvivís
ellos / ellas / ustedeshablancomenviven

Handig: -er en -ir zijn gelijk, behalve bij nosotros en vosotros.

Grammatica 2: vraagwoorden

SpaansNederlandsVoorbeeld
¿Qué?Wat?¿Qué estudias?
¿Quién? / ¿Quiénes?Wie?¿Quién es?
¿Dónde?Waar?¿Dónde vives?
¿Cuándo?Wanneer?¿Cuándo entrenas?
¿Cómo?Hoe?¿Cómo vas a clase?
¿Cuánto? / ¿Cuántos?Hoeveel?¿Cuántos idiomas hablas?
¿Por qué?Waarom?¿Por qué estudias español?

Vraagwoorden hebben altijd een accent. Het antwoord op ¿Por qué? begint met porque (omdat), los geschreven en zonder accent.

Grammatica 3: hoe vaak?

Woorden als siempre, normalmente en a veces staan meestal vooraan of direct vóór het werkwoord: Siempre desayuno a las siete. Bij nunca zonder no: Nunca bebo café. Of met no vóór en nunca achter het werkwoord: No bebo nunca café.

Let op, Nederlanders

  • In een vraag hoef je de volgorde niet om te draaien. ¿Hablas español? is gewoon de zin met vraagtekens.
  • 'Leren' is estudiar (voor school, een vak) of aprender (een vaardigheid, iets nieuws): Estudio para el examen. Aprendo a cocinar.
  • Een kloktijd bij een handeling krijgt a las: Entreno a las diez, niet Entreno las diez.

Woordenlijst

SpaansNederlands
hablarpraten, spreken
trabajarwerken
estudiarstuderen, leren
entrenartrainen
desayunarontbijten
cenaravondeten
escucharluisteren
mirarkijken
comereten, lunchen
beberdrinken
leerlezen
aprenderleren (iets nieuws)
correrrennen
escribirschrijven
abriropenen
hacer (yo hago)doen, maken
la escuela / el institutode school / de middelbare school
el trabajohet werk
el entrenamientode training
despuésdaarna
primero / luegoeerst / dan
siempre / normalmentealtijd / normaal gesproken
a veces / nuncasoms / nooit
todos los díaselke dag