Spaans A1 · Beginner · unit 6

En el restaurante

In deze unit: querer (willen), gustar (lekker of leuk vinden), Bestellen in een restaurant. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: querer (willen)

Persoonquerer
yoquiero
túquieres
él / ella / ustedquiere
nosotrosqueremos
vosotrosqueréis
ellos / ellas / ustedesquieren

Bij querer verandert de e in de stam in ie, behalve bij nosotros en vosotros. In Unit 9 leer je meer werkwoorden die zo werken. Na querer kan een zelfstandig naamwoord of een heel werkwoord: Quiero un café. Quiero comer.

Grammatica 2: gustar (lekker of leuk vinden)

Gustar werkt andersom dan in het Nederlands. Letterlijk zeg je: 'het bevalt mij'. Het werkwoord past zich aan aan wat je lekker vindt.

Wie vindt het lekker?enkelvoud of werkwoordmeervoud
ikme gustame gustan
jijte gustate gustan
hij / zij / ule gustale gustan
wijnos gustanos gustan
jullieos gustaos gustan
zij / u (mv.)les gustales gustan
  • Me gusta el chocolate. (één ding)
  • Me gustan las patatas fritas. (meer dingen)
  • Me gusta jugar al fútbol. (een activiteit: altijd gusta)
  • Ontkennen: No me gusta el pescado. Helemaal niet: No me gusta nada.
  • Nadruk of reactie: A mí me gusta. ¿Y a ti? – A mí también. / A mí no.

Bestellen in een restaurant

SituatieWat je zegt
Een tafel vragenUna mesa para dos, por favor.
De kaart vragen¿Me trae la carta, por favor?
BestellenPara mí, el pollo con arroz. / Quiero una ensalada.
Drinken bestellenPara beber, un agua sin gas.
Iets vragen¿Qué me recomienda?
AfrekenenLa cuenta, por favor.
Prijs vragen¿Cuánto es?

Let op, Nederlanders

  • Zeg niet Yo gusto el queso, maar Me gusta el queso.
  • Bij gustar gebruik je het lidwoord: Me gusta el café, niet Me gusta café.
  • El agua is vrouwelijk, maar krijgt el omdat het met een beklemtoonde a begint. Meervoud: las aguas. Bijvoeglijk naamwoord vrouwelijk: el agua fría.
  • In Spanje eet je laat: de lunch rond 14:00–15:00 en het avondeten rond 21:00–22:00.

Woordenlijst

SpaansNederlands
el aguahet water
el panhet brood
el queso / el jamónde kaas / de ham
la carne / el pollohet vlees / de kip
el pescadode vis (om te eten)
la ensaladade salade
el arrozde rijst
las patatas fritasde friet, de chips
la verdurade groente
la fruta / la manzanahet fruit / de appel
el postrehet toetje
el café / el téde koffie / de thee
el zumo / el jugohet sap (Spanje / Latijns-Amerika)
el refrescode frisdrank
la cartade menukaart
la cuentade rekening
el camarero / la camarerade ober / de serveerster
el desayuno / la comida / la cenahet ontbijt / de lunch / het avondeten
rico / ricalekker
caro / baratoduur / goedkoop
tener hambre / tener sedhonger hebben / dorst hebben
querer (yo quiero)willen
gustarlekker vinden, leuk vinden