Spaans A2 · Basis · unit 3

El fin de semana pasado

In deze unit: regelmatige werkwoorden, onregelmatige werkwoorden, voltooide tijd of verleden tijd?. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: regelmatige werkwoorden

Persoonhablarcomervivir
yohablécomíviví
túhablastecomisteviviste
él / ella / ustedhablócomióvivió
nosotroshablamoscomimosvivimos
vosotroshablasteiscomisteisvivisteis
ellos / ellas / ustedeshablaroncomieronvivieron

Let op de accenten bij yo en él: hablo (ik praat) en habló (hij praatte) zijn verschillende woorden. De nosotros-vorm van -ar en -ir is gelijk aan de tegenwoordige tijd; de context laat zien wat je bedoelt.

Spellingsregels bij yo: jugar → jugué, llegar → llegué, buscar → busqué, empezar → empecé. Bij leer krijg je een y: leyó, leyeron.

Grammatica 2: onregelmatige werkwoorden

Persoonser / irhacertenerestar
yofuihicetuveestuve
túfuistehicistetuvisteestuviste
él / ella / ustedfuehizotuvoestuvo
nosotrosfuimoshicimostuvimosestuvimos
vosotrosfuisteishicisteistuvisteisestuvisteis
ellos / ellas / ustedesfueronhicierontuvieronestuvieron

Ser en ir hebben dezelfde vormen. Fui a Madrid = ik ging naar Madrid. Fue increíble = het was ongelooflijk.

Nog meer onregelmatige stammen (uitgangen: -e, -iste, -o, -imos, -isteis, -ieron), zonder accent:

Infinitiefyoél / ella
poderpudepudo
ponerpusepuso
quererquisequiso
venirvinevino
decirdijedijo (ellos: dijeron)
vervivio
dardidio

Grammatica 3: voltooide tijd of verleden tijd?

pretérito perfecto (Unit 2)pretérito indefinido
periode nog niet voorbijperiode is voorbij
hoy, esta semana, este año, ya, nuncaayer, anoche, la semana pasada, en 2024, hace un mes
Esta semana he jugado dos partidos.La semana pasada jugué dos partidos.

Let op, Nederlanders

  • In het Nederlands zeg je vaak 'ik heb gisteren gevoetbald'. In het Spaans wordt dat Ayer jugué al fútbol, niet Ayer he jugado (in Spanje hoor je dat soms wel, maar het is niet de norm).
  • Hace + tijd = geleden: hace tres años = drie jaar geleden.
  • Fue kan 'hij ging' en 'hij was' betekenen. Kijk naar de rest van de zin.

Woordenlijst

SpaansNederlands
ayer / anteayergisteren / eergisteren
anochegisteravond
el lunes pasadoafgelopen maandag
la semana pasadavorige week
el mes pasado / el año pasadovorige maand / vorig jaar
hace dos díastwee dagen geleden
el otro díalaatst, onlangs
llegaraankomen
salirweggaan, uitgaan
quedar (con amigos)afspreken (met vrienden)
la fiestahet feest
el conciertohet concert
el viajede reis
las vacacionesde vakantie
pasarlo bien / malhet (niet) naar je zin hebben
divertido / aburridoleuk / saai