Spaans A2 · Basis · unit 4

Cuando era pequeño

In deze unit: de vorm, wanneer gebruik je het?. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: de vorm

De onvoltooid verleden tijd (pretérito imperfecto) is de makkelijkste verleden tijd: bijna alle werkwoorden zijn regelmatig.

Persoonjugartenervivir
yojugabateníavivía
tújugabasteníasvivías
él / ella / ustedjugabateníavivía
nosotrosjugábamosteníamosvivíamos
vosotrosjugabaisteníaisvivíais
ellos / ellas / ustedesjugabanteníanvivían

Geen stamverandering: jugaba, niet juegaba.

Er zijn maar drie onregelmatige werkwoorden:

Persoonserirver
yoeraibaveía
túerasibasveías
él / ella / ustederaibaveía
nosotroséramosíbamosveíamos
vosotroseraisibaisveíais
ellos / ellas / ustedeseranibanveían

Hay wordt había (er was, er waren).

Grammatica 2: wanneer gebruik je het?

  • Gewoontes in het verleden: De niño jugaba al fútbol todos los días. (Als kind voetbalde ik elke dag.)
  • Beschrijvingen van mensen, plaatsen en situaties: Mi abuelo era alto y llevaba gafas. La casa tenía un jardín enorme.
  • Leeftijd en tijd in het verleden: Tenía ocho años. Eran las diez de la noche.

Signaalwoorden: antes, de pequeño, cuando era niño, siempre, a menudo, todos los días, normalmente.

Let op, Nederlanders

  • In het Nederlands zeg je 'als kind speelde ik' en 'gisteren speelde ik' allebei met 'speelde'. In het Spaans verschilt dat: De niño jugaba (gewoonte) maar Ayer jugué (één keer). Unit 5 gaat over dit verschil.
  • Vergeet het accent niet bij nosotros van -ar: jugábamos, estábamos.
  • 'Ik was acht' = Tenía ocho años, met tener, net als in de tegenwoordige tijd.

Woordenlijst

SpaansNederlands
de pequeño / de niñoals kind
cuando era pequeñotoen ik klein was
antesvroeger
ahora ya nonu niet meer
a menudovaak
todos los veranoselke zomer
el colegiode basisschool
el vecino / la vecinade buurman / de buurvrouw
el juguetehet speelgoed
los dibujos animadosde tekenfilms
jugar al esconditeverstoppertje spelen
montar en bicifietsen
el campohet platteland, het veld
la vaca / el caballode koe / het paard
tímido / tímidaverlegen
travieso / traviesaondeugend
tranquilo / tranquilarustig
llevar gafaseen bril dragen
tener el pelo largo / cortolang / kort haar hebben