Spaans A2 · Basis · unit 5

Contar una historia

In deze unit: het grote verschil, onderbroken acties, een verhaal opbouwen. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: het grote verschil

Een verhaal is als een film. Het imperfecto beschrijft het decor: hoe het was, wat er aan de gang was. Het indefinido vertelt de gebeurtenissen: wat er gebeurde, stap voor stap.

imperfecto: het decorindefinido: de gebeurtenis
beschrijving: Hacía frío. Llovía.afgeronde actie: Llegué a las ocho.
situatie, gevoel: Estaba nervioso.reeks acties: Me levanté, desayuné y salí.
gewoonte: Siempre entrenaba los martes.iets op een bepaald moment: El martes entrené.
tijd, leeftijd: Eran las tres. Tenía diez años.iets met een duidelijk begin of eind: Viví allí dos años.

Grammatica 2: onderbroken acties

Iets was aan de gang (imperfecto) toen er plotseling iets gebeurde (indefinido).

  • Veía la tele cuando sonó el teléfono. (Ik keek tv toen de telefoon ging.)
  • Mientras jugábamos, empezó a llover. (Terwijl we speelden, begon het te regenen.)
  • Met estar + gerundio in het imperfecto maak je de achtergrond nog duidelijker: Estaba corriendo cuando me caí.

Grammatica 3: een verhaal opbouwen

1. Begin met het decor (imperfecto): Era sábado y hacía sol. Estábamos en el campo.

2. Vertel wat er gebeurde (indefinido): De repente, un jugador se cayó.

3. Gebruik verbindingswoorden: entonces, luego, después, por eso.

4. Sluit af: Al final, ganamos. Fue un día increíble.

Let op, Nederlanders

  • Twijfel je? Vraag jezelf af: is het achtergrond (imperfecto) of gebeurt er iets (indefinido)?
  • Estaba en estuve betekenen allebei 'was'. Estaba en casa cuando… (achtergrond) maar Estuve en casa todo el día (afgesloten periode).
  • Caerse is onregelmatig in het indefinido: me caí, te caíste, se cayó, se cayeron.

Woordenlijst

SpaansNederlands
un díaop een dag
de repente / de prontoplotseling
entoncestoen, daarna
mientrasterwijl
al finaluiteindelijk
por esodaarom
pasargebeuren
¿Qué pasó?Wat gebeurde er?
sonar (suena)klinken, gaan (telefoon)
caerse (me caigo)vallen
lesionarsegeblesseerd raken
la lesiónde blessure
el árbitrode scheidsrechter
encontrar (encuentro)vinden
asustarseschrikken
gritarschreeuwen
llover (llueve)regenen
la ambulanciade ambulance
afortunadamentegelukkig