Spaans A2 · Basis · unit 8

Regalos y favores

In deze unit: meewerkend voorwerp, twee voornaamwoorden samen, Om een gunst vragen. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: meewerkend voorwerp

Het meewerkend voorwerp is de persoon aan of voor wie je iets doet.

aan / voorVoornaamwoordVoorbeeld
mijmeMi padre me regala un reloj.
jouteTe explico el ejercicio.
hem, haar, uleLe doy las flores a mi abuela.
onsnosEl profesor nos pregunta muchas cosas.
jullieosOs cuento un secreto.
hen, u (mv.)lesLes escribo a mis amigos.

Je kent dit al van gustar en doler: me gusta, le duele.

In het Spaans zeg je de persoon vaak twee keer: met le/les én met a + persoon. Le compro un regalo a mi hermana. Dat klinkt dubbel, maar is heel normaal.

Grammatica 2: twee voornaamwoorden samen

  • De volgorde is altijd: meewerkend (aan wie) vóór lijdend (wat). ¿El libro? Me lo das. (Je geeft het mij.)
  • Le en les worden se vóór lo, la, los, las: ¿Las flores? Se las doy a mi madre. Niet le las doy.
  • Ze blijven samen, vóór het werkwoord of vast aan de infinitief: Te lo voy a enviar = Voy a enviártelo. Let op het accent.
Zonder voornaamwoordenMet voornaamwoorden
Doy el regalo a Ana.Se lo doy.
Mi madre me compró las zapatillas.Mi madre me las compró.
¿Nos explicas la tarea?¿Nos la explicas?
Voy a enviar los mensajes a mis amigos.Voy a enviárselos. / Se los voy a enviar.

Om een gunst vragen

ZinNederlands
¿Me haces un favor?Wil je me een plezier doen?
¿Me prestas tu cargador?Mag ik je oplader lenen?
¿Me puedes ayudar?Kun je me helpen?
Claro, te lo presto.Natuurlijk, ik leen hem je.
Lo siento, no puedo.Sorry, dat kan ik niet.
¡Muchas gracias! Te lo agradezco.Heel erg bedankt! Ik waardeer het.

Let op, Nederlanders

  • 'Lenen' is twee woorden in het Spaans: prestar (aan iemand) en pedir prestado (van iemand). 'Mag ik je pen lenen?' = ¿Me prestas tu boli?
  • Preguntar is een vraag stellen, pedir is om iets vragen: Le pregunto la hora. Le pido un café.
  • Nooit le lo: altijd se lo.

Woordenlijst

SpaansNederlands
el regalohet cadeau
regalarcadeau geven
dar (doy)geven
prestarlenen (aan iemand)
pedir prestadolenen (van iemand)
devolver (devuelvo)teruggeven
enseñarlaten zien, leren (aan iemand)
explicaruitleggen
preguntarvragen (een vraag)
pedir (pido)vragen (om iets)
contar (cuento)vertellen
felicitarfeliciteren
agradecer (agradezco)bedanken
el favorde gunst
hacer un favoreen plezier doen
la bodade bruiloft
las floresde bloemen
el relojhet horloge
la carterade portemonnee
envolver para regaloinpakken als cadeau