Spaans B2 · Zelfstandig · unit 10

El español en el mundo

In deze unit: Uitspraak, Grammatica, Spreek- en luisteropdracht. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Uitspraak

VerschijnselWaarVoorbeeld
c (voor e/i) en z als 'th'Noord- en Midden-Spanjecerveza = 'therbetha'
c en z als 's' (seseo)Latijns-Amerika, Canarische Eilanden, deel van Andalusiëcerveza = 'serbesa'
ll en y als 'sj' of 'zj'Argentinië, Uruguaycalle = 'kasje', yo = 'sjo'
s aan eind lettergreep als 'h' of wegCaraïben, Andalusië, Canarische Eilandenlos dos = 'loh doh'
j zacht, als 'h'Caraïben, Colombia, MexicoJosé = 'hosé'

Grammatica

1. Vosotros of ustedes? In Spanje is vosotros informeel en ustedes formeel. In Latijns-Amerika bestaat vosotros niet: ustedes is de enige vorm voor 'jullie'.

2. Voseo. In Argentinië, Uruguay, Paraguay en delen van Midden-Amerika zeg je vos in plaats van tú, met eigen vormen:

túvos
sereressos
tenertienestenés
hablarhablashablás
poderpuedespodés
vivirvivesvivís
gebiedende wijsven, hablavení, hablá

¿Vos sos de Holanda? ¿Qué querés tomar? ¡Vení acá!

3. Perfecto of indefinido? In Spanje: Hoy he entrenado. In het grootste deel van Latijns-Amerika: Hoy entrené.

4. Verkleinwoorden worden in Latijns-Amerika veel gebruikt, ook bij bijwoorden: ahorita (nu meteen, of juist straks), cerquita (vlakbij), un cafecito.

5. Le of lo? In Midden-Spanje hoor je le voor een mannelijke persoon als lijdend voorwerp: Le vi ayer (ik zag hem gisteren). Dit heet leísmo en is voor personen geaccepteerd. In Latijns-Amerika en in de standaardtaal: Lo vi ayer.

Let op, Nederlanders

  • Kies één variant en wees consequent, maar leer de andere herkennen. Met vosotros word je in Latijns-Amerika prima begrepen, al klinkt het Spaans.
  • Ahorita betekent in Mexico 'zo meteen', wat soms veel later is. In Spanje betekent ahora mismo echt nu.
  • Let op woorden die per land een andere, soms grove betekenis hebben, zoals coger (Unit 9).

Spreek- en luisteropdracht

Luister naar drie korte fragmenten (interviews, YouTube-video's of podcasts) van sprekers uit Spanje, Mexico en Argentinië. Noteer per fragment drie kenmerken van uitspraak, grammatica of woordenschat die je in deze unit hebt geleerd. Vertel daarna welke variant je het makkelijkst verstaat en waarom.

Woordenlijst

SpaansNederlands
el coche (Sp.) / el carro (Mex.) / el auto (Arg.)de auto
el ordenador (Sp.) / la computadora (Lat.-Am.)de computer
el móvil (Sp.) / el celular (Lat.-Am.)de mobiel
el zumo (Sp.) / el jugo (Lat.-Am.)het sap
el autobús (Sp.) / el camión (Mex.) / el colectivo (Arg.)de bus
la pasta (Sp.) / la lana (Mex.) / la plata (Arg.)geld (spreektaal)
guay (Sp.) / padre, chido (Mex.) / copado (Arg.)gaaf
conducir (Sp.) / manejar (Lat.-Am.)rijden (auto)
el chaval (Sp.) / el chavo (Mex.) / el pibe (Arg.)de jongen
el piso (Sp.) / el departamento (Lat.-Am.)het appartement
la patata (Sp.) / la papa (Lat.-Am.)de aardappel
el aguacate / la palta (Arg.)de avocado
las gafas (Sp.) / los lentes (Mex.) / los anteojos (Arg.)de bril
el entrenador, el míster (Sp.) / el director técnico, el DT (Lat.-Am.)de trainer (voetbal)
el portero / el arquero (Arg.)de keeper
el campo (Sp.) / la cancha (Lat.-Am.)het voetbalveld