In deze unit: Uitdrukkingen 1: het dagelijks leven, Uitdrukkingen 2: voetbal, Spreektaal (vooral Spanje). Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.
Uitdrukkingen 1: het dagelijks leven
Spaans
Letterlijk
Betekenis
hablar por los codos
praten door de ellebogen
honderduit praten
estar en las nubes
in de wolken zijn
met je hoofd ergens anders zijn
tomar el pelo a alguien
iemands haar pakken
iemand voor de gek houden
meter la pata
de poot erin steken
een blunder maken
costar un ojo de la cara
een oog van je gezicht kosten
peperduur zijn
ser pan comido
gegeten brood zijn
een eitje zijn
ponerse las pilas
je batterijen erin doen
aan de slag gaan, opletten
echar una mano
een hand gooien
helpen
dar en el clavo
de spijker raken
de spijker op de kop slaan
ir al grano
naar de korrel gaan
ter zake komen
quedarse en blanco
wit blijven
een black-out hebben
no pegar ojo
geen oog dichtplakken
geen oog dichtdoen
dormir como un tronco
slapen als een boomstam
slapen als een roos
llover a cántaros
regenen met kruiken
pijpenstelen regenen
ser uña y carne
nagel en vlees zijn
twee handen op één buik
no tener pelos en la lengua
geen haren op de tong hebben
geen blad voor de mond nemen
estar hasta las narices
tot je neus zitten
er schoon genoeg van hebben
tirar la toalla
de handdoek gooien
de handdoek in de ring gooien
Uitdrukkingen 2: voetbal
Spaans
Betekenis
colgar las botas
stoppen met voetballen
echar balones fuera
eromheen draaien, de schuld afschuiven
dar la cara
verantwoordelijkheid nemen
en el descuento / en el último minuto
in blessuretijd, op het laatste moment
marcar un golazo
een prachtgoal maken
hacer un caño
een panna geven (bal tussen de benen)
estar en racha
in vorm zijn, een goede reeks hebben
el partido de vuelta
de return
meter un gol a alguien
iemand een loer draaien (ook buiten voetbal)
jugar en casa / fuera
thuis / uit spelen
Spreektaal (vooral Spanje)
Woord
Betekenis
vale
oké
venga
kom op, oké, doei
guay / chulo
gaaf
mola
is vet, leuk (me mola = ik vind het vet)
tío / tía
gast, meid (tegen vrienden)
flipar
versteld staan, het geweldig vinden
currar / el curro
werken / het werk
la pasta
het geld
¡qué fuerte!
niet normaal!
¡qué pasada!
wat geweldig!
en plan…
zo van…, een beetje…
Stopwoordjes die je in elk gesprek hoort: pues (nou), bueno (goed, nou ja), o sea (dus, ik bedoel), es que… (het zit zo…), ¿sabes? (weet je?), ¿no? (toch?), vamos (kortom). Ze maken je Spaans natuurlijker, maar gebruik ze niet in formele teksten.
Let op, Nederlanders
Veel Nederlandse uitdrukkingen bestaan niet letterlijk in het Spaans. 'Het regent pijpenstelen' wordt niet llueve tubos, maar llueve a cántaros.
Spreektaal verschilt per land. Guay en tío zijn Spaans; in Mexico zeg je padre en güey, in Argentinië copado en che (Unit 10).
Coger is in Spanje 'pakken', maar in grote delen van Latijns-Amerika een vulgair woord. Gebruik daar tomar of agarrar.