Spaans B2 · Zelfstandig · unit 9

Hablar por los codos

In deze unit: Uitdrukkingen 1: het dagelijks leven, Uitdrukkingen 2: voetbal, Spreektaal (vooral Spanje). Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Uitdrukkingen 1: het dagelijks leven

SpaansLetterlijkBetekenis
hablar por los codospraten door de ellebogenhonderduit praten
estar en las nubesin de wolken zijnmet je hoofd ergens anders zijn
tomar el pelo a alguieniemands haar pakkeniemand voor de gek houden
meter la patade poot erin stekeneen blunder maken
costar un ojo de la caraeen oog van je gezicht kostenpeperduur zijn
ser pan comidogegeten brood zijneen eitje zijn
ponerse las pilasje batterijen erin doenaan de slag gaan, opletten
echar una manoeen hand gooienhelpen
dar en el clavode spijker rakende spijker op de kop slaan
ir al granonaar de korrel gaanter zake komen
quedarse en blancowit blijveneen black-out hebben
no pegar ojogeen oog dichtplakkengeen oog dichtdoen
dormir como un troncoslapen als een boomstamslapen als een roos
llover a cántarosregenen met kruikenpijpenstelen regenen
ser uña y carnenagel en vlees zijntwee handen op één buik
no tener pelos en la lenguageen haren op de tong hebbengeen blad voor de mond nemen
estar hasta las naricestot je neus zittener schoon genoeg van hebben
tirar la toallade handdoek gooiende handdoek in de ring gooien

Uitdrukkingen 2: voetbal

SpaansBetekenis
colgar las botasstoppen met voetballen
echar balones fueraeromheen draaien, de schuld afschuiven
dar la caraverantwoordelijkheid nemen
en el descuento / en el último minutoin blessuretijd, op het laatste moment
marcar un golazoeen prachtgoal maken
hacer un cañoeen panna geven (bal tussen de benen)
estar en rachain vorm zijn, een goede reeks hebben
el partido de vueltade return
meter un gol a alguieniemand een loer draaien (ook buiten voetbal)
jugar en casa / fuerathuis / uit spelen

Spreektaal (vooral Spanje)

WoordBetekenis
valeoké
vengakom op, oké, doei
guay / chulogaaf
molais vet, leuk (me mola = ik vind het vet)
tío / tíagast, meid (tegen vrienden)
fliparversteld staan, het geweldig vinden
currar / el currowerken / het werk
la pastahet geld
¡qué fuerte!niet normaal!
¡qué pasada!wat geweldig!
en plan…zo van…, een beetje…

Stopwoordjes die je in elk gesprek hoort: pues (nou), bueno (goed, nou ja), o sea (dus, ik bedoel), es que… (het zit zo…), ¿sabes? (weet je?), ¿no? (toch?), vamos (kortom). Ze maken je Spaans natuurlijker, maar gebruik ze niet in formele teksten.

Let op, Nederlanders

  • Veel Nederlandse uitdrukkingen bestaan niet letterlijk in het Spaans. 'Het regent pijpenstelen' wordt niet llueve tubos, maar llueve a cántaros.
  • Spreektaal verschilt per land. Guay en tío zijn Spaans; in Mexico zeg je padre en güey, in Argentinië copado en che (Unit 10).
  • Coger is in Spanje 'pakken', maar in grote delen van Latijns-Amerika een vulgair woord. Gebruik daar tomar of agarrar.

Woordenlijst

SpaansNederlands
hablar por los codoshonderduit praten
estar en las nubesmet je hoofd ergens anders zijn
tomar el pelo a alguieniemand voor de gek houden
meter la pataeen blunder maken
costar un ojo de la carapeperduur zijn
ser pan comidoeen eitje zijn
ponerse las pilasaan de slag gaan, opletten
echar una manohelpen
dar en el clavode spijker op de kop slaan
ir al granoter zake komen
quedarse en blancoeen black-out hebben
no pegar ojogeen oog dichtdoen
dormir como un troncoslapen als een roos
llover a cántarospijpenstelen regenen
ser uña y carnetwee handen op één buik zijn
no tener pelos en la lenguageen blad voor de mond nemen
estar hasta las nariceser schoon genoeg van hebben
tirar la toallade handdoek in de ring gooien