Spaans C1 · Vloeiend · unit 8

Contar con

In deze unit: de belangrijkste werkwoorden per voorzetsel, betekenisverschil door het voorzetsel, dequeísmo en queísmo. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Grammatica 1: de belangrijkste werkwoorden per voorzetsel

adeenconpor
acostumbrarse a (wennen aan)acordarse de (zich herinneren)pensar en (denken aan)contar con (rekenen op)preocuparse por (zich zorgen maken over)
atreverse a (durven)olvidarse de (vergeten)confiar en (vertrouwen op)soñar con (dromen van)interesarse por (zich interesseren voor)
negarse a (weigeren)depender de (afhangen van)consistir en (bestaan uit)casarse con (trouwen met)apostar por (inzetten op)
dedicarse a (zich bezighouden met)darse cuenta de (beseffen)insistir en (aandringen op)enfadarse con (boos worden op)optar por (kiezen voor)
renunciar a (afzien van)enamorarse de (verliefd worden op)fijarse en (letten op)conformarse con (genoegen nemen met)luchar por (strijden voor)
parecerse a (lijken op)quejarse de (klagen over)tardar en (lang doen over)cumplir con (nakomen)disculparse por (excuses maken voor)
oler a / saber a (ruiken / smaken naar)encargarse de (zorgen voor)influir en (invloed hebben op)encontrarse con (tegenkomen)votar por (stemmen op)

Het voorzetsel blijft ook voor een infinitief of een bijzin: Me niego a firmar. Me acuerdo de que dijiste eso.

Grammatica 2: betekenisverschil door het voorzetsel

ZonderMet voorzetsel
pensar (denken, van plan zijn): Pienso ir.pensar en (denken aan): Pienso en ti. / pensar de (vinden van): ¿Qué piensas de él?
acordar (afspreken): Acordamos el precio.acordarse de (zich herinneren): Me acuerdo de ti.
contar (vertellen, tellen)contar con (rekenen op): Cuento contigo.
tratar (behandelen)tratar de (proberen): Trato de entenderlo. / tratarse de (gaan over): Se trata de un error.
quedar (over zijn, afspreken)quedar con (afspreken met): He quedado con Ana. / quedar en (afspreken om): Quedamos en vernos a las 8. / quedarse con (houden): Me quedo con el azul.
dar (geven)dar con (vinden): Por fin di con la solución.

Grammatica 3: dequeísmo en queísmo

  • Dequeísmo: de toevoegen waar het niet hoort. Pienso de que → Pienso que. Me dijo de que → Me dijo que.
  • Queísmo: de weglaten waar het wel hoort. Me acuerdo que → Me acuerdo de que. Estoy seguro que → Estoy seguro de que.

Test: vervang de bijzin door eso. Pienso eso (geen de) → pienso que. Me acuerdo de eso → me acuerdo de que.

Let op, Nederlanders

  • 'Trouwen met' = casarse con, niet casarse a. 'Verliefd op' = enamorado de, niet en.
  • 'Wachten op' = esperar zonder voorzetsel: Espero el autobús. 'Zoeken naar' = buscar: Busco mis llaves. 'Luisteren naar' = escuchar: Escucho música.
  • 'Denken aan' = pensar en, niet pensar a.