El arte de narrar
In deze unit: Taalgebruik 1: drie manieren om gedachten en woorden weer te geven, Taalgebruik 2: dialogen schrijven met de raya, Taalgebruik 3: technieken voor levendig schrijven. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.
Taalgebruik 1: drie manieren om gedachten en woorden weer te geven
| Vorm | Voorbeeld |
|---|---|
| estilo directo | —No pienso rendirme —dijo Ana. |
| estilo indirecto | Ana dijo que no pensaba rendirse. |
| estilo indirecto libre (gedachten zonder aankondiging) | Ana miró el marcador. No pensaba rendirse, no ahora, no después de todo lo que había sacrificado. |
Taalgebruik 2: dialogen schrijven met de raya
In het Spaans gebruik je voor dialogen geen aanhalingstekens, maar een lang streepje (raya: —).
- Elke spreekbeurt begint op een nieuwe regel met een raya: —¿Vienes?
- Commentaar van de verteller staat tussen raya's: —No sé —respondió Pablo—. Quizás mañana.
- Na het commentaar volgt de punt pas na de afsluitende raya, zoals in het voorbeeld.
- Aanhalingstekens (« » of " ") gebruik je voor citaten in een lopende tekst.
Taalgebruik 3: technieken voor levendig schrijven
1. Laat zien, vertel niet: niet Estaba nervioso, maar Le temblaban las manos y no podía dejar de mirar el reloj.
2. Gebruik alle zintuigen: geur, geluid, gevoel, smaak.
3. Wissel het ritme af: lange beschrijvende zinnen, dan een korte zin voor de schok. Y entonces, silencio.
4. Kies precieze werkwoorden: niet ir rápido, maar precipitarse, irrumpir, salir disparado.
5. Eindig sterk: met een verrassing, een beeld of een open einde.
Let op, Nederlanders
- Gebruik in Spaanse dialogen nooit Nederlandse aanhalingstekens: altijd de raya.
- Spaanse literaire teksten mogen langere zinnen hebben dan Nederlandse. Gebruik die vrijheid, maar bewaar de helderheid.
- Wissel bewust tussen indefinido (gebeurtenis) en imperfecto (sfeer): dat bepaalt het ritme van je verhaal.
Woordenlijst
| Spaans | Nederlands |
|---|---|
| el narrador (en primera / tercera persona) | de verteller (ik-verteller / hij-verteller) |
| el narrador omnisciente | de alwetende verteller |
| el narrador testigo | de verteller die toekijkt |
| el protagonista | de hoofdpersoon |
| el personaje secundario | de bijfiguur |
| el planteamiento, el nudo, el desenlace | de inleiding, de verwikkeling, de ontknoping |
| el clímax | het hoogtepunt |
| el tono / la atmósfera | de toon / de sfeer |
| el ritmo | het tempo |
| el punto de vista | het perspectief |
| el símbolo | het symbool |
| el final abierto | het open einde |
| el microrrelato | het zeer korte verhaal |