Spaans C2 · Meester · unit 9

El arte de narrar

In deze unit: Taalgebruik 1: drie manieren om gedachten en woorden weer te geven, Taalgebruik 2: dialogen schrijven met de raya, Taalgebruik 3: technieken voor levendig schrijven. Uitgelegd in het Nederlands, met voorbeelden en de fouten die Nederlanders vaak maken.

Taalgebruik 1: drie manieren om gedachten en woorden weer te geven

VormVoorbeeld
estilo directo—No pienso rendirme —dijo Ana.
estilo indirectoAna dijo que no pensaba rendirse.
estilo indirecto libre (gedachten zonder aankondiging)Ana miró el marcador. No pensaba rendirse, no ahora, no después de todo lo que había sacrificado.

Taalgebruik 2: dialogen schrijven met de raya

In het Spaans gebruik je voor dialogen geen aanhalingstekens, maar een lang streepje (raya: —).

  • Elke spreekbeurt begint op een nieuwe regel met een raya: —¿Vienes?
  • Commentaar van de verteller staat tussen raya's: —No sé —respondió Pablo—. Quizás mañana.
  • Na het commentaar volgt de punt pas na de afsluitende raya, zoals in het voorbeeld.
  • Aanhalingstekens (« » of " ") gebruik je voor citaten in een lopende tekst.

Taalgebruik 3: technieken voor levendig schrijven

1. Laat zien, vertel niet: niet Estaba nervioso, maar Le temblaban las manos y no podía dejar de mirar el reloj.

2. Gebruik alle zintuigen: geur, geluid, gevoel, smaak.

3. Wissel het ritme af: lange beschrijvende zinnen, dan een korte zin voor de schok. Y entonces, silencio.

4. Kies precieze werkwoorden: niet ir rápido, maar precipitarse, irrumpir, salir disparado.

5. Eindig sterk: met een verrassing, een beeld of een open einde.

Let op, Nederlanders

  • Gebruik in Spaanse dialogen nooit Nederlandse aanhalingstekens: altijd de raya.
  • Spaanse literaire teksten mogen langere zinnen hebben dan Nederlandse. Gebruik die vrijheid, maar bewaar de helderheid.
  • Wissel bewust tussen indefinido (gebeurtenis) en imperfecto (sfeer): dat bepaalt het ritme van je verhaal.

Woordenlijst

SpaansNederlands
el narrador (en primera / tercera persona)de verteller (ik-verteller / hij-verteller)
el narrador omniscientede alwetende verteller
el narrador testigode verteller die toekijkt
el protagonistade hoofdpersoon
el personaje secundariode bijfiguur
el planteamiento, el nudo, el desenlacede inleiding, de verwikkeling, de ontknoping
el clímaxhet hoogtepunt
el tono / la atmósferade toon / de sfeer
el ritmohet tempo
el punto de vistahet perspectief
el símbolohet symbool
el final abiertohet open einde
el microrrelatohet zeer korte verhaal